Te meten stoffen per waterbeheerder

  1. Algemeen
  2. Toelichting op begrippen
  3. Nadere toelichting op werkwijze

1. Algemeen

Dit is een lijst met bestrijdingsmiddelen (ook wel stoffen) per waterbeheerder (waterschap of hoogheemraadschap) met te meten bestrijdingsmiddelen. Dit is een advies dat wordt gedaan voor de belangrijkere stoffen; dit zijn stoffen met normoverschrijdingen of met een groot verbruik. Bij elke stof is weergegeven in welke mate deze bijdraagt of kan bijdragen aan de problemen met waterkwaliteit in de regio. Deze relatieve bijdrage hangt af van het landgebruik, van het verbruik van de stof en van de mate van normoverschrijding (zie nadere toelichting). Dit product is enerzijds gebaseerd op de normoverschrijdingen in de regio en anderzijds op de (landelijke) correlaties tussen stoffen en landgebruik.

2. Toelichting op begrippen, presentatie en technische verantwoording

Voor de uitleg van de diverse (technische) begrippen als bijvoorbeeld correlatie, significantie, landgebruik, afwateringseenheid, de presentatie van de tabel en de technische verantwoording wordt verwezen naar de toelichting van de producten correlaties concentratie en normoverschrijding en oppervlakte landgebruik.

3. Nadere toelichting

In deze paragraaf wordt onder andere nader uitgelegd hoe tot de selectie van te meten stoffen per waterbeheerder wordt gekomen en vervolgens hoe de relatieve bijdrage van elke stof wordt berekend. Dit product wordt gemaakt en getoond per waterbeheerder. In Nederland zijn dat de waterschappen, hoogheemraadschappen en de verschillende regionale diensten van Rijkswaterstaat. Deze laatste categorie hebben alleen de rijkswateren tot hun werkgebied en zijn om die reden verder uitgesloten van de koppeling. Voor elke periode worden de normen van het laatste jaar van die periode gebruikt. Bij een nieuwe periode worden de berekeningen alleen uitgevoerd voor die nieuwe periode op basis van de bijbehorende (eventueel gewijzigde) normen. De resultaten van de oudere periodes worden dus niet herberekend en veranderen dus niet. Er is één uitzondering op deze werkwijze. Voor de periode 2009-2011 is om pragmatische redenen gebruik gemaakt van de normen van 2012 (en niet van 2011). De selectie van de te meten stoffen per waterbeheerder wordt als volgt bepaald. Eerst wordt bepaald welke stoffen normoverschrijdend zijn in de regio. Daaraan worden de stoffen toegevoegd met significante correlaties met landgebruik. Dat geldt alleen voor die typen landgebruik die in een regio voorkomen. Het gaat hierbij zowel om significante correlaties voor concentraties als normoverschrijding. Wat betreft de correlatie normoverschrijding gaat het alleen om de normen JG-MKN/ MTR en MAC-MKN. De relatieve bijdrage van elke geselecteerde stof wordt als volgt bepaald.

  1. Voor elke stof (S) wordt bepaald in welke typen landgebruik (L) het wordt toegepast. Van elk type landgebruik wordt de fractie in de regio bepaald: relatieve oppervlakte (RO) = oppervlakte L in regio/totale oppervlakte regio.
  2. Voor elke stof wordt het relatief verbruik (RV) per type landgebruik gebruikt. Dit is een landelijk kengetal.
  3. Voor elke stof wordt de mate van normoverschrijding in een regio per periode bepaald. De mate van normoverschrijding wordt bepaald op basis van  de gemiddelde concentratie van de meetpunten in de regio waar de stof is gemeten.Voor elk meetpunt wordt eerst een “jaarconcentratie” bepaald, De wijze waarop dit is gebeurd hangt af van de norm. Zie hiervoor de toelichting op de aggregatie. Hiervan wordt vervolgens per meetpunt een gemiddelde bepaald per periode. Vervolgens worden deze “periodeconcentraties” gemiddeld per regio. Bij de laatste twee stappen wordt gebruik gemaakt van een geometrisch (of meetkundig) gemiddelde. Zie voor een uitleg van geometrisch gemiddelde de basishandboeken statistiek of de verklarende woordenlijst. Omdat we met meerdere normen te maken hebben bij de MKN, wordt hierbij het maximum van de JG-MKN of MAC-MKN gekozen. Het gemiddelde wordt teruggetransformeerd en gedeeld door de gebruikte norm en de resulterende waarde is de relatieve normoverschrijding (NO). Voor elke geselecteerde stof worden de drie relatievewaardes vermenigvuldigd:

Relatieve bijdrage S,L = ROS,L x RVS,L x NOS.

Deze waardes vervolgens worden per stof gesommeerd over de verschillende landgebruiktypes. Vervolgens worden alle stofwaarden gesommeerd: de som relatieve bijdrages. De relatieve bijdrage per stof wordt vervolgens uitgedrukt als een percentage van de som relatieve bijdrages.

Zie voor een verdere toelichting de achtergronddocumentatie. De werkwijze zoals hier beschreven is een verbeterde versie van de procedure beschreven in de achtergronddocumentatie.